Variabelen

Een variabele dient om informatie op te slaan. In Antcas Control hoeven de datatypen niet gedeklareerd te worden. U kunt dus direct een woord als variabele schrijven. Naast de variabelen zijn er ook constanten en andere datatypen die rechtstreeks ingevoerd kunnen worden. Alles andere wordt direct als variabele herkend. Let hierbij op de kleuren in de FUP-programmering.

Bestendigheid Van De Gegevens

Alle waarden die in de SPS worden opgeslagen, zijn remanent. Dit betekent dat bij een opnieuw opstarten van de server de vorige toestanden worden hersteld. Ze blijven ook bij het exporteren van een project behouden.

Let Op: Alle tekenreeksen buiten het UTF-8-bereik kunnen niet remanent worden opgeslagen. In de live-weergave worden deze donkerpaars weergegeven.

Kleuren

Type Kleur Voorbeeld
Fout Rood ongeldig.
Variabele Grijs variabele
Getal Oranje 10 10E3 10e-2 -1.2
Tijd, Datum Groen T#1m DT#2016-03-25-22:12:00 D#2016-03-25
Tekenreeks Blauw 'Dit Is Een Tekenreeks' "En Deze Ook" "Deze Heeft Een " Erin!"
Constante Paars INT_MIN, INT_MAX
Booleaanse Waarde Paars NULL, TRUE, FALSE

Regels

De functieblokken worden in de leesrichting naar de ingangen berekend. Van links naar rechts en van boven naar beneden. Zo worden ook de variabelen geschreven.

Constanten zoals booleaanse variabelen kunnen rechtstreeks gedefinieerd worden. Schrijf hiervoor TRUE, FALSE of NULL. Waarbij NULL ook wordt ingesteld waar u geen waarde gebruikt. NULL staat voor geen waarde. Dus noch TRUE noch FALSE. De waarde NULL wordt alleen programma-intern gebruikt. De waarden NULL, 0 (als integer), '', evenals "" of "0" worden als FALSE geëvalueerd.

Let erop dat uitgangsvariabelen nooit dubbel gebruikt worden, omdat de bovenste variabele anders overschreven wordt en dus ongeldig kan zijn. Er zijn speciale uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld de Functieblok MOVE. Ook de variabelen in de interfaces moeten niet meerdere keren gebruikt worden. Dit is in eigenlijke zin mogelijk, maar kan bij het opnieuw opstarten van de SPS tot onbedoeld gedrag leiden.

De databases voor de functieblokken mogen nooit dubbel gebruikt worden. Anders schrijft de laatste functieblok altijd de waarde over of leiden de interne markers tot onbedoelde resultaten.

Maximale Lengte

Elke variabele, inclusief de ondergeschikte namen van de functieblokken, mogen een lengte van 255 tekens niet overschrijden. De FUP-editor geeft daarom een foutmelding als een variabele langer is dan 200 tekens.

Naamruimtes

Een naamruimte kan altijd alleen van onder naar boven worden overschreven. De naamruimte kan heel eenvoudig gedefinieerd worden, door de variabele met een punt te scheiden. Bijvoorbeeld verwarming.PID of verwarming.modus.Ramen. Het gebruik van slimme naamruimtes vereenvoudigt het overzicht in de programmering aanzienlijk.