
De functieblok FS_EXEC voert één of meerdere externe opdrachten uit zonder shell.
Let Op: Systeemopdrachten kunnen het externe systeem bedreigen of beschadigen. Bovendien kunnen bestaande bestanden zonder waarschuwing worden overschreven.
Het bestandssysteem moet eerst zijn geïnitialiseerd met FS_INIT. Alle operaties vinden asynchroon plaats per aangemaakt opslagmedium.
Bij een positieve flank wordt de opgegeven opdracht uitgevoerd.
Definieert het apparaat waaruit toegang tot bestanden moet worden verkregen. Het apparaat wordt per project gebruikt en kan in het contextmenu onder Project Extern opslag beheerd worden.
Geeft het pad naar de map op het opslagmedium aan. Het pad komt overeen met een Unix-bestandspad in UTF-8-formaat, indien dit wordt ondersteund. Het pad wordt als volgt weergegeven:
Map/Submap
Het gebruik van een pad is optioneel. Als deze is ingesteld, moet het wisselen naar deze map succesvol zijn, anders wordt de uit te voeren opdracht niet uitgevoerd.
Definieert de uit te voeren opdracht.
Definieert het type console (Pseudo-Terminal). Voor sommige apparaten is deze parameter verplicht. Voorbeelden: "vt100", "vt102", "ansi", "xterm" enzovoort.
Opmerking: Wanneer een PTY wordt gebruikt, moet elke opdracht worden afgesloten met een regelafbreker, bijvoorbeeld: "ls\n". Let er ook op dat de console de uitvoer formateert. Hierdoor kunnen ook stuurtekens of binaire gegevens aanwezig zijn.
Definieert de actieve omgevingsvariabelen. Om meerdere variabelen aan te geven, kan er per regel één worden gedefinieerd. Voorbeeld:
LANG=en_US.UTF-8
LC_ALL=en_US.UTF-8
Definieert de grootte van het terminal. Standaard wordt deze in tekens aangegeven, maar kan ook in pixels worden gedefinieerd. Bijvoorbeeld: "80x25" of "640x480px". Als geen waarde is gedefinieerd, wordt "80x25" gebruikt.
De uitgang geeft bij succes een impuls terug om de volgende operatie uit te voeren. De impuls vindt plaats bij het beëindigen van de taak, zelfs als er een fout is opgetreden.
Geeft de retourwaarde van de opdracht bij succesvolle uitvoering terug. De waarde wordt voor latere gebruik bewaard.
Geeft de retourwaarde van de opdracht bij foutieve uitvoering terug. Bij SSH ook STDERR genoemd. De waarde wordt voor latere gebruik bewaard.
Geeft in geval van een fout een tekst met een foutmelding terug. Deze is FALSE, als er geen fout is opgetreden. De status wordt voor latere gebruik bewaard.
Mogelijke oorzaken: