
De functieblok FS_WRITE_LIBFILE schrijft een bestand van de bibliotheek naar een bestandssysteem.
Let Op: Bestaande bestanden worden zonder waarschuwing overschreven.
Het bestandssysteem moet eerst zijn geïnitialiseerd met FS_INIT. Alle operaties vinden asynchroon plaats per aangemaakt opslagmedium.
Opmerking: Om
Bestandsbijlagen op te slaan, is een Licentie vereist.
Tip: Maak bij documenten met hoge rekenbelasting een eigen opslagmedium aan om meerdere documenten parallel te genereren.
Bij een positieve flank wordt het bestand van de bibliotheek naar het opslagmedium geschreven.
Definieert het apparaat waaruit toegang tot de bestanden moet worden verkregen. Het apparaat wordt per project gebruikt en kan in het contextmenu onder Project Extern opslag beheerd worden.
Geeft het pad naar het bestand op het opslagmedium aan. Het pad komt overeen met een Unix-bestandspad in UTF-8-formaat, indien dit wordt ondersteund. Het pad wordt als volgt weergegeven:
Map/Submap/Bestand.txt
Eindigt deze met een / of is het een map, dan wordt de bestandsnaam uit de bibliotheek gebruikt.
Definieert het bestand uit de bibliotheek. De ingang accepteert alleen een directe tekenreeks. Het bestand kan rechtstreeks uit de bibliotheek naar de ingang worden gesleept om deze te definiëren.
Definieert de taal van het bestand. Deze moet in het project aanwezig zijn.
De uitgang geeft bij succes een impuls terug om de volgende operatie uit te voeren. De impuls vindt plaats bij het beëindigen van de taak, zelfs als er een fout is opgetreden.
Geeft het aantal geschreven bytes terug. De status wordt voor latere gebruik opslaan.
Geeft in geval van fout een tekst met een foutmelding terug. Deze is FALSE, als er geen fout is opgetreden. De status wordt voor latere gebruik opslaan.
Mogelijke oorzaken: