Dit type meldingen wordt via de visualisatie geabonneerd en is volledig gratis. De configuratie van push-meldingen vindt plaats in de Explorer Mededelingen.
Bij het toestaan van meldingen in de visualisatie wordt via het internet een sleutel (push-endpunt) bij de overeenkomstige push-dienst aangemaakt. Deze wordt vervolgens onder de betreffende Gebruiker opgeslagen. Vervolgens kunnen deze onder het contextmenu Project
Gebruikersbeheer
Gebruiker
Push-Endpunten worden beheerd.
Bij elk hernieuwde bezoek aan de visualisatie wordt de huidige sleutel automatisch naar de server verzonden en indien nodig bijgewerkt.
Wanneer een pushbericht wordt verzonden, vindt de bezorging eerst plaats aan het laatst actieve push-endpunt. Hierdoor wordt de reactietijd bij niet meer bereikbare (dode) endpunten geminimaliseerd. Verstreken of ongeldige endpunten worden bij het verzenden in geval van fout automatisch verwijderd.
Opmerking:
Om meldingen in de desktopbrowser te ontvangen, moet de browser open zijn.
Als het eindpunt tijdelijk geen internetverbinding heeft, kan de bezorging met een vertraging van maximaal 24 uur plaatsvinden.
Bij Core 1 worden uitsluitend meta-sleutels overgedragen. Deze kunnen alleen worden ontvangen als het eindpunt actief een verbinding met de server tot stand kan brengen. Vanaf Core 2 en hoger worden volledige berichten inclusief inhoud (met uitzondering van afbeeldingen) rechtstreeks naar het push-endpunt verzonden. Hierdoor wordt een betrouwbare ontvangst ook zonder actieve serververbinding gegarandeerd.
In de verschillende groepen kunnen verdere voorwaarden voor het melding achterhalen worden opgeslagen. Huidig is het alleen mogelijk om tussen desktop en mobiel apparaat te onderscheiden. Panels ondersteunen push-berichten niet.
Het is mogelijk een webcam of een afbeelding via de push-melding weer te geven. Hiervoor wordt het eerste beeld van de bestandbijlage gebruikt. Dit moet van het type JPEG, PNG of GIF zijn. Let er ook op dat de Licentie voor het gebruik van Bijlagen aanwezig is.
Huidig wordt voor de registratie van push een unieke ID per project gebruikt. Dit betekent dat per apparaat altijd slechts één service worker (achtergrondprogramma van de website) met de push-meldingen wordt voorzien.