
De functieblok VALVE_INIT overschrijft de stelgrootte voor een initiale rit.
Tip: Gebruik de functieblok voor ventielbescherming samen met de functieblok TPULSE één keer per week.
Deze waarde levert de waarde direct aan de uitgang Q als de initiale rit niet plaatsvindt.
Start bij een positieve flank een initiale rit. Eerst wordt naar de waarde MIN gereden en vervolgens naar de waarde MAX.
De ingang definieert de duur, voor welke de waarde van de ingang MIN aan de uitgang Q aanwezig is. Is PT_MIN niet opgegeven, dan wordt MIN overgeslagen.
De ingang definieert de duur, voor welke de waarde van de ingang MAX aan de uitgang Q aanwezig is. Is PT_MAX niet opgegeven, dan wordt MAX overgeslagen en het proces beëindigd.
Definieert de minimale waarde. Dit kan een getal, een tekenreeks of een booleaanse waarde zijn. Als geen waarde aanwezig is of als de waarde gelijk is aan NULL, dan wordt 0 aangenomen.
Definieert de maximale waarde. Dit kan een getal, een tekenreeks of een booleaanse waarde zijn. Als geen waarde aanwezig is of als de waarde gelijk is aan NULL, dan wordt 255 aangenomen.
Deactiveert de functieblok en levert de ingang IN direct aan Q. Een impuls aan INIT wordt genegeerd.
Zonder initialisatie wordt de waarde van IN naar deze uitgang doorgeleid. Anders wordt de waarde naar MIN of MAX doorgegeven.
De uitgang is waar zolang de initialisatie plaatsvindt.