
Deze functieblok UPTIME telt, hoe lang een apparaat ingeschakeld was.
Opmerking: Deze functieblok moet niet samen met de functieblok LOGGER worden gebruikt. Gebruik in plaats daarvan de functieblok RT_UPTIME.
Als de ingang waar is, wordt aan de uitgang Q de inschakeltijd berekend. Bij het uitschakelen wordt de tijd opgeslagen en bij opnieuw oproepen verdergeteld.
De inschakeltijd kan via de ingang teruggezet worden. Zodra de ingang weer onwaar is, begint de tijdregistratie vanaf het begin.
De ingang kan worden gebruikt om de looptijd van de PLC te verkorten. Hiertoe wordt een tijd aan de ingang PT opgegeven. Wordt bv. T#1s gebruikt, dan wordt de uitgang Q slechts elke seconde uitgevoerd. Wanneer de tijdregistratie wordt beëindigd, wordt de waarde Q direct uitgegeven.
De uitgang geeft de gemeten looptijd in het formaat T# terug.